Engelstalig provincialisme

In een nog niet eens zo grijs verleden, waren Nederlandse theologen in staat meerdere vreemde talen te lezen. Evenals andere studenten hadden ze genoeg kennis van de vreemde talen om Engelse, Duitse en Franse literatuur tot ze te nemen.

Door Mirjam van Veen

Deze meertaligheid verschafte hen een unieke positie: Fransen denken met hun laïcité bijvoorbeeld over de scheiding van kerk en staat anders dan Engelsen met hun even-handedness en Duitsers dichten aan hun Landeskirchen een andere rol toe dan Nederlanders aan hun keuzekerk.  Dat leidt tot verschillende perspectieven op de rol die geloof in de samenleving kan en moet spelen. Kennis van die verschillende perspectieven verrijkt en maakt het mogelijk om met des te meer kracht van argumenten een eigen positie te kiezen. 
Ook bij de beoefening van de kerkgeschiedenis (mijn vak) is kennis van verschillende culturen een pre. De Duitstalige wereld is vanouds sterk in de analyse van het gedachtegoed van verschillende confessionele stromingen; de Engelstalige literatuur biedt een scherp oog voor de sociale geschiedenis en het werk van een Olivier Millet is bijkans ongeëvenaard vanwege zijn taalkundige analyse van het werk van Calvijn. Kennis van deze verschillende benaderingswijzen stelt iemand in staat het beste uit verschillende werelden op te pikken en om de eigen benaderingswijze steeds te toetsen aan andere. 
Kennis van verschillende culturen en kennis van de debatten in verschillende culturen over geloof en  samenleving in heden en verleden, stellen in staat de blik te verbreden en helpen een theoloog te behoeden voor een eenzijdige visie waarin slechts een bepaald perspectief verwerkt is. Een dergelijke kennis vereist echter meertaligheid. Het vereist de vaardigheid en de bereidheid ook literatuur in andere talen te bestuderen. Deze deugd wordt langzamerhand zeldzaam. Ook onder theologen heeft de misvatting postgevat dat wie Engels spreekt de wereld aankan. Waar mijn generatie zich twintig jaar geleden nog moeizaam door het Duits van Heussi worstelde, weten studenten van nu zeker dat Duits lezen ongeveer even veel gevraagd is als de bestudering van oude hiërogliefen. En ze komen er glansrijk mee weg.
Universiteiten in Nederland lijken inmiddels collectief van mening te zijn dat de hele wereld Engels spreekt en dat wie Engels spreekt genoeg talenkennis heeft. Internationalisering lijkt gelijk te staan aan het ophangen van Engelstalige bewegwijzering en het aanbieden van colleges in “Neder”- Engels. Van buitenlandse studenten kan, zo is de redenering, in redelijkheid niet verwacht worden dat ze Nederlands leren. De vraag wat een verblijf aan een buitenlandse universiteit toevoegt als iemand niet in staat is het publieke debat te volgen, niet in staat is kennis te nemen van de plaatselijke cultuur en al helemaal niet in staat is een gesprek aan te knopen met de buurvrouw wordt alleen nog gesteld door mensen die worden geacht in de tijd van de neanderthalers te zijn blijven steken. Wie internationaal denkt, denkt immers Engels.
Het gebruik van een lingua franca heeft onbetwistbaar voordelen en vergemakkelijkt internationale uitwisseling. De manier waarop nu aan universiteiten internationalisering wordt doorgevoerd en andere talen dan het Engels worden veronachtzaamd, leidt echter tot een nieuw soort provincialisme. Wie alleen Engels kent en denkt daarmee de wereld aan te kunnen, is kennelijk vergeten dat er zoiets bestaat als culturele diversiteit en heeft kennelijk niet de bereidheid de eigen cultuur naast die van anderen te leggen en te relativeren. Op deze manier leidt de vermeende internationalisering van het (theologisch) onderwijs tot blikvernauwing en doet vergeten dat er ook in andere landen dan Engeland en Amerika interessante ontwikkelingen gaande zijn.

Prof.dr. Mirjam G.K. van Veen is hoogleraar kerkgeschiedenis aan de Vrije Universiteit

Reacties
Schrijf als eerste een reactie!
(Log in om te kunnen reageren)
Log in met uw gegevens
Uw emailadres
Uw wachtwoord
Nog geen account?
Klik dan hier om te registreren.