A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

RSS

Barnard, Willem

Gewijzigd op 23-02-2013 13:54 by host Gecategoriseerd als Markante protestanten, MP uitgelicht
Afbeelding
Dichter en theoloog (Rotterdam 15 augustus 1920 - Utrecht 21 november 2010)

‘Ik was enigkind, dus ik liet mezelf altijd uitspreken,’ zei Willem Barnard in 1990 tegen een interviewer. ‘Ik geloof dat een dichter iemand is die zichzelf laat uitspreken en daarom is hij ook altijd enigkind.’

Wilhelmus Barnard was ook een eenzaam kind. Vader en moeder, beiden hervormd, runden een kapperswinkel aan de Rotterdamse Van Speijkstraat en werkten hard. Willems vader was een introverte en angstige man, zijn moeder een vrome en zachtzinnige vrouw, ongecompliceerd en onkritisch, niet erg ontvankelijk voor het gepeins en getwijfel van de gevoelige Willem.

In 1932 ging hij naar het Rotterdamse Marnixgymnasium dat hij zes jaar later verliet met het einddiploma en de wens dichter te worden. De keuze, in 1938, voor een studie taal- en letterkunde lag dan ook voor de hand, maar in zijn tweede studiejaar moest Barnard de Leidse universiteit verruilen voor de Kloosterkazerne in Breda. Europa was sinds 1 september 1939 in de greep van een nieuwe oorlog, Nederland was gemobiliseerd, Willem moest onder de wapenen. Het oorlogsgeweld van mei 1940 ging goeddeels aan hem voorbij maar liet niettemin diepe indruk na, vooral het bombardement op zijn geboortestad. ‘In 1940 sloegen de bommen een gat in mijn jeugd.’

Geworstel met levensvragen en lezing van Barths Römerbrief brachten Barnard tot het besluit zijn letterenstudie af te breken. Hij ging theologie studeren, aan de rijksuniversiteit Utrecht waar hij zich laafde aan kerkhistoricus Maarten van Rhijn en dogmaticus Berkelbach van der Sprenkel. Maar ook de theologiestudie werd door de oorlog verstoord. Barnard weigerde de loyaliteitsverklaring te tekenen en meldde zich vervolgens, op advies van de hervormde synode, voor de Arbeidsinzet. Volgens de synode zouden theologiestudenten de andere arbeiders tot geestelijke steun kunnen zijn.

Een jaar lang, van mei 1943 tot de zomer van 1944, werkte Barnard in een Berlijnse fabriek waar van pastorale zorg weinig terecht kwam. Terug in Nederland leek de bevrijding, na de geallieerde landing in Normandië, nabij, maar Noord-Nederland moest nog een laatste oorlogswinter doormaken, met kou, honger en terreur. Barnard zat ondergedoken en vulde zijn loze dagen met het schrijven van gedichten. De rest van zijn leven zou een schuldgevoel aan hem knagen. ‘Had ik niets iets anders moeten, iets anders dat meer rechtstreeks gericht was tegen de boeven?’

In 1946 werd Barnard predikant van de hervormde gemeente in Hardenberg. Hij kon er niet aarden: het Saksische, ‘mythische’ levensbesef en de introverte orthodoxie van de Overijsselse bevolking benauwden hem. Het schrijven van poëzie gaf afleiding, soms wel drie of vier gedichten op één dag. In het eerste jaar van Barnards predikantsbestaan verscheen ook zijn eerste dichtbundel, In exilio, onder het pseudoniem Guillaume van der Graft.

Een beroep van de hervormde gemeente in Nijmegen, in 1950, kwam als een geschenk uit de hemel. Barnard kwam terecht in een meer inspirerende omgeving, intellectueel en cultureel, maar toch kon hij er als predikant zijn draai niet vinden. Het werk in de wijken ging hem ronduit tegenstaan. Als dichter beleefde hij in Nijmegen een vruchtbare tijd. In vier jaar verschenen vier bundels waarvan de laatste, Vogels en vissen, uit 1954, met de Van der Hoogtprijs werd bekroond. Zijn werk was verwant met de ‘Vijftigers’ en had – naar eigen zeggen – mythologische trekken. Het was persoonlijk getoonzet, maar niet individualistisch. ‘Het functioneert in gemeenschap en gemeente,’ oordeelde Heeroma.

1954 was ook het jaar dat Barnard werd benoemd tot studiesecretaris van de G. van der Leeuwstichting die ijverde voor een dialoog tussen kerk en kunst. Amsterdam werd Barnards werkgebied, tot 1959 toen hij door tbc werd geveld, vervolgens door een diepe depressie. Herstel vergde twee jaar, maar Barnard moest zijn werk in de hoofdstad inperken. Met zijn gezin trok hij naar het Gelderse Rozendaal waar hij hulppredikant in deeltijd werd.

Twaalf jaar lang wist Barnard, voortdurend vechtend tegen angsten en twijfels, zich staande te houden. In 1973 stortte hij opnieuw in, fysiek en psychisch. In hetzelfde jaar kwam het Liedboek voor de kerken gereed. Onder maar liefst 114 psalmen en liederen prijkte Barnards naam. In 1975 werd hem emeritaat verleend. De pen legde hij niet neer. De ene na de andere dichtbundel zag het licht, daarnaast ook theologisch-beschouwend werk: Barnard schreef vier boeken over de psalmen en voorts studies over Leviticus, Handelingen en het evangelie van Johannes. In 2004 publiceerde hij, inmiddels oud-katholiek geworden, de dagboeken die hij tussen 1978 en 1992 bijhield, onder de titel Anno Domini. Hierin fulmineerde Barnard tegen de leegheid van de cultuur, haar simplisme en verplatting, vulgarisatie. Kunst en religie zouden een tegengeluid moeten laten horen, maar hun onderlinge strijd stond dit in de weg. Barnards dagboeken van 1945 tot 1978 verschenen een jaar later, in 2005: Een dubbeltje op zijn kant. Beide boeken raakten uitverkocht, wat voor Barnard reden was zijn dagboekaantekeningen te bundelen en aan te vullen, resulterend in Een zon diep in de nacht dat in 2009 werd gepubliceerd.

Willem Barnard was eredoctor van de Universiteit Utrecht en Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Auteur: Peter Bak, voor Protestant.nl, 11 april 2009

Verder lezen: A.F. Troost, Dichter bij het geheim. Leven en werk van Willem Barnhard/Guillaume van der Graft (Zoetermeer 1998)

Informatie op internet: Digitale bibliotheek Nederlandse letteren; Wapenveld; Quinta Magazine

Thank you for evaluating SQLViewPro. If after your evaluation you wish to support great DotNetNuke software, please visit the store to purchase a membership. Use discount code 'TRIAL' at checkout for 10% off!