A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

RSS

Doleantie

Gewijzigd op 08-11-2012 09:08 by host Gecategoriseerd als Geschiedenis, Uitgelicht
Afbeelding
Beweging in de Nederlandse Hervormde Kerk waaruit de Gereformeerde Kerken zijn ontstaan

De Doleantie van 1886 was het gevolg van een conflict binnen de Nederlandse Hervormde Kerk dat toen twee decennia sleepte. Dankzij de invoering van kerkelijke verkiezingen in 1867 hadden de orthodoxen daar in veel plaatselijke kerkenraden de overhand behaald op aanhangers van de Groninger richting en de moderne theologie.

Het Algemeen Reglement van 1852 bood echter onvoldoende ruimte om de nieuwe, langs democratische weg tot stand gekomen verhoudingen ook vorm te geven in de classicale besturen, de provinciale kerkbesturen en de algemene synode. Deze besturen werden voornamelijk bemand door predikanten, naar verhouding veel van niet-orthodoxe signatuur.

Bovendien waren twee belangrijke zaken nauwelijks geregeld: de wijze waarop de kerk gebonden was aan haar belijdenis (de Drie formulieren van enigheid), en het beheer van de kerkelijke goederen. Beide werden in 1870 actueel: de eerste toen de synode het gebruik van de trinitarische, aan Matteüs 28:19 ontleende doopformule vrij liet (zie doop); de tweede toen het door de synode aangestelde Algemeen college van Toezicht optrad, dat zich opwierp als rechtsopvolger van de overheid. In het eerste geval konden de orthodoxen nog vrij eensgezind optreden: predikanten als A.W. Bronsveld, J.H. Gunning jr., Ph.J. Hoedemaker, A. Kuyper en G.J. Vos Az. vormden samen met onder anderen G. Groen van Prinsterer een comité dat gemeenteleden opriep om geen andere doop te erkennen dan die met de trinitarische formule was bediend.

Kuyper, die in 1870 de eerste door de Amsterdamse gemeente zelf gekozen predikant was, wenste een sterke plaatselijke gemeente die ook in het beheer van haar bezittingen autonoom was, met een intensief pastoraat; een verband van dergelijke gemeenten met zgn. ‘vrij beheer’ kwam tot stand op grond van de gereformeerde belijdenis. Dit streven naar plaatselijke autonomie leidde tot spanningen met orthodoxe collega’s die de eenheid van de vaderlandse kerk beklemtoonden.

Na Kuypers emeritaat in 1874 werden de conflicten via de pers verder opgevoerd. In 1883 werd in Amsterdam een conferentie gehouden van vertegenwoordigers van kerkenraden, waarin uitgesproken werd, dat het kerkverband mocht worden verbroken als de gemeenten daardoor belet zouden worden in overeenstemming met haar belijdenis te leven. De verhouding tussen gemeenten en synode was intussen nog meer onder druk komen te staan omdat Kuyper in 1880 met een aantal medestanders de Vrije Universiteit had opgericht. Daar werden toekomstige predikanten opgeleid buiten invloed van de kerkelijke hoogleraren die van 1878 af aan de drie rijksuniversiteiten en de universiteit van Amsterdam (Gunning 1882) waren aangesteld. De synode wees in 1885 nogmaals iedere vrije opleiding af.

De spanningen kwamen tot een uitbarsting door de zogenaamde attestenkwestie. Toen de kerkenraad zich daarop tegen een ingrijpen van hogerhand wapende door in feite de plaatselijke bezittingen direct onder zich te brengen, sloegen de kerkelijke besturen terug door 80 voorstanders van deze maatregel te schorsen; eind 1886 volgde een definitieve ontzetting uit het ambt. Nog voor het einde van het jaar braken Kuyper en de zijnen met de hervormde organisatie en vormden zij een nieuwe kerkenraad. Eerder was dat laatste toen reeds gebeurd in Voorthuizen en Kootwijk.

Een bredere beweging kwam echter pas goed op gang nadat 11-14 januari 1887 in Amsterdam het kerkelijk congres was georganiseerd. Alle deelnemers ondertekenden daar een voorgedrukte verklaring ‘dat hij de afwerping van het juk der synodale hierarchie voor plichtmatig houdt, voor ieder die het koningschap van Jezus in zijn kerk wil eeren’. De uitgetreden gemeenten – in eigen spraakgebruik: kerken – betitelden zichzelf als dolerend (d.w.z. klagend) omdat zij klaagden over de gang van zaken in de Hervormde Kerk en in het bijzonder over het verlies van hun goederen. Een arrest van de Hoge Raad bepaalde in 1888 definitief dat deze alle bij de genoemde kerk bleven.

De dolerenden die onder de naam Nederduitse Gereformeerde Kerken met groot elan een eigen kerkelijk leven opzetten, verenigden zich in 1892 met vrijwel geheel de Christelijke Gereformeerde Kerk tot de Gereformeerde Kerken in Nederland; zij brachten daarbij 306 plaatselijke kerken en 120 predikanten in.

Voor de Hervormde Kerk had de Doleantie in de eerste plaats tot gevolg dat zij zich voor het eerst niet langer als de vaderlandse kerk kon beschouwen en voorgoed een van de vele minderheden in de Nederlandse samenleving werd: tussen 1880 en 1890 daalde het aandeel van de hervormden in de bevolking van bijna 55% tot minder dan 49%. Anderzijds was de Doleantie voor de orthodoxen die in de Hervormde Kerk bleven, een stimulans om zich in te zetten voor de opbouw van de eigen kerk.

Auteur: J. Vree uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)

Verder lezen: W. Bakker e.a. (red.), De Doleantie van 1886 en haar geschiedenis (Kampen 1986) ; D. Deddens, J. Kamphuis (red.) ; , Doleantie-Wederkeer. Opstellen over de Doleantie van 1886 (Haarlem 1986) ; ‘1886: jaar van de Doleantie’, themanummer Documentatieblad voor de Nederlandse Kerkgeschiedenis 22-23 (januari 1986)'C. Augustijn, ‘De spiritualiteit van de dolerenden’, in: C. Augustijn, J. Vree, Abraham Kuyper vast en veranderlijk'' (Zoetermeer 1998), 183-199 ; Afbeelding: Steunbetuiging aan Kuyper na de Doleantie

Thank you for evaluating SQLViewPro. If after your evaluation you wish to support great DotNetNuke software, please visit the store to purchase a membership. Use discount code 'TRIAL' at checkout for 10% off!