A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

RSS

Frankfurter Schule

Gewijzigd op 06-03-2013 12:28 by host Gecategoriseerd als Uitgelicht, Wetenschap
Afbeelding
Interdisciplinair Duits onderzoeksinstituut.

Het instituut werd uit particulier kapitaal bekostigd en ging op 3 februari 1923 in Frankfurt am Main van start onder de naam Institut für Sozialforschung. Aanleiding tot de oprichting was het einde van de Eerste Wereldoorlog en de Russische Revolutie, die het ontstaan van een diepe kloof binnen de internationale socialistische beweging markeerden. In Rusland grepen de bolsjewieken de macht (zie marxisme). In West-Europa daarentegen bewoog de socialistische beweging zich in de richting van het revisionisme – de sociaaldemocratie – en zocht ze aansluiting bij de democratische rechtsorde. Beide richtingen verwijderden zich meer en meer van de marxistisch intellectuele traditie, het thema waarop het instituut zich concentreerde. Oprichters waren Felix J. Weil (politieke wetenschapper; zoon van Hermann Weil, de financier), Friedrich Pollock (econoom) en Max Horkheimer (filosoof ). Vanwege hun joodse afkomst en hun politieke stellingname moesten de meeste leden van het instituut al gauw na de machtsovername door Hitler (1933) uitwijken naar een andere vestigingsplaats. Kort daarna vertrok het instituut naar New York in de Verenigde Staten. Van 1933-1941 vormde het Zeitschrift für Sozialforschung het belangrijkste publicatiemedium van het instituut.

Vanaf 1931 werd het instituut geleid door Horkheimer, die de grondslag heeft gelegd voor de latere internationale roem van het instituut. Naast hem waren de bekendste leden van het instituut: Erich Fromm, Herbert Marcuse, Walter Benjamin en Theodor Wiesengrund Adorno. Na de oorlog vestigde het instituut zich opnieuw in Frankfurt am Main als onderdeel van de Johann Wolfgang Goethe-Universität. Het instituut kreeg grote bekendheid in de jaren zestig van de twintigste eeuw als inspiratiebron van de studentenrevolutie van 1968. De studenten hoopten dat met name Adorno en Habermas een intellectueel leidende rol op zich zouden nemen. Dezen hebben dat evenwel geweigerd en zich zelfs van de opstand gedistantieerd. Dit in tegenstelling tot Marcuse, die wel met de studentenrevolte sympathiseerde.

Inhoudelijk kenmerkte het instituut zich door een sterke sympathie voor de theorieën van Karl Marx, maar dan vooral voor diens vroege, meer filosofisch georiënteerde werk. De meeste leden waren sceptisch over de praktisch politieke gevolgtrekkingen die uit het marxisme getrokken werden. Het instituut verzette zich met name tegen de sterk deterministische, mechanische interpretatie die binnen het marxisme dominant geworden was. Volgens deze interpretatie zou het kapitalisme als vanzelf zijn ondergang tegemoet gaan ten gevolge van de ontwikkeling van de productiekrachten en het sociale verzet dat daardoor onvermijdelijk opgeroepen werd.

De klassentegenstellingen binnen het kapitalisme zouden dusdanig verscherpen dat er als vanzelf een periode van instabiliteit en revolutie zou aanbreken. De arbeidersklasse zou in opstand komen tegen de kapitalistische overheersing. Maar in de jaren na de Eerste Wereldoorlog werden de aanwijzingen sterker dat het revolutionaire bewustzijn van de arbeidersklasse afnam. Dit leidde tot een sterke belangstelling van het instituut voor de ‘amusements- en bewustzijnsindustrie’: op welke manier worden de onrechtvaardige maatschappelijke verhoudingen op het niveau van het menselijke bewustzijn acceptabel gemaakt en psychologisch en cultureel gereproduceerd? Daarom paarden de leden van het instituut hun interesse voor het marxisme met een grote belangstelling voor Freud en de psychoanalyse (Fromm en Marcuse) en voor de betekenis van de moderne massamedia en de wereld van het amusement (Adorno). Bovendien hadden zij, veel sterker dan Marx, belangstelling voor de (óf revolutionaire, óf maatschappij bevestigende) rol van de kunst.

Het instituut was, geheel in overeenstemming met Marx, overwegend atheistisch en anti-religieus gestemd. Toch is het atheïsme van de Frankfurters minder eenduidig. Zeker in latere publicaties van verschillende leden lijkt er enige verwantschap met bepaalde negatief-theologische invloeden (negatieve theologie) aanwezig te zijn. De Frankfurter Schule en de door haar ontwikkelde kritische theorie heeft dan ook veel invloed gehad op bepaalde theologische stromingen (met name in de bevrijdingstheologie en het daar vigerende praxis-begrip).

Auteur: Jan Hoogland uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)

Verder lezen: Martin Jay, De dialectische verbeelding. Een geschiedenis van de Frankfurter Schule en het Institut für Sozialforschung 1923-1950 (Baarn 1977) ; Rolf Wiggershaus, Die Frankfurter Schule. Geschichte, theoretische Entwicklung, politische Bedeutung (München/Wien 1986)

Thank you for evaluating SQLViewPro. If after your evaluation you wish to support great DotNetNuke software, please visit the store to purchase a membership. Use discount code 'TRIAL' at checkout for 10% off!