A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

RSS

God

Gewijzigd op 29-08-2012 10:05 by host Gecategoriseerd als Bijbel en theologie
Afbeelding
Benaming voor een hogere macht, in het christendom ook aangeduid als het Opperwezen, de Schepper, de Geest. Het woord god is vermoedelijk afgeleid is van het Indogermaanse werkwoord ghu, dat ‘aanroepen’ betekent.

Oorspronkelijk is het een soortbegrip geweest, want er waren meerdere goden. In het christendom werd het, evenals in het jodendom en later ook in de bijbel, zowel het Oude als het Nieuwe Testament. In het Oude Testament worden verschillende aanduidingen voor God gebruikt. De kortste is El, een woord dat sterkte of macht aanduidt. Vaak staat het Oude Testament de meervoudsvorm Elohim. Men heeft er wel sporen van vroeger Triniteit. Het ligt echter meer voor de hand er een versterking van de grondgedachte van het woord in het enkelvoud in te zien.

De specifieke naam van Israëls God is het uit vier medeklinkers bestaande tetragram JHWH, tegenwoordig meestal uitgesproken en geschreven als Jahweh, de naam waarmee God zich aan Mozes openbaarde bij de brandende braambos (Ex. 3:1-14). Deze naam hangt waarschijnlijk samen met het Hebreeuwse werkwoord voor ‘zijn’: hjh. In Exodus 3:14 legt God zelf zijn naam uit als ‘Ik ben die ik ben’, of ‘Ik zal zijn die ik zijn zal’. In het Oude Testament wordt die naam meer dan twee keer zo veel gebruikt als Elohim.

Omdat de naam op den duur niet meer uitgesproken werd maar vervangen door het woord Adonai (Heer), weten we niet precies meer wat de juiste uitspraak is. Wel weten we dat het voor het volk Israël altijd de aanduiding gebleven is van de bevrijdende God die hen uit de slavernij in Egypte had verlost. Tijdens de omzwervingen door de woestijn ontmoette Israël Jahweh bij de berg Sinaï, waar Hij een verbond met hen sloot en hun zijn wet (de tora) meegaf. Die wet is als het ware samengevat in de Tien Geboden, die beginnen met de uitspraak dat Israël geen andere God naast Jahweh mag hebben. Israëls God is een ‘enige’ god.

Hij is niet een onderdeel van een hele godenwereld. De fundamentele belijdenis van Israël is dan ook: ‘Hoor, Israël: de Here is onze God; de Here is één’ (Deut. 6:4). De joodse godsdienst is dus strikt monotheïstisch. Ook mag Israël geen beeld van God maken om Hem daarin te eren, want dit komt neer op een poging Hem te manipuleren. Hij verdraagt dit niet, want Hij is een naijverige, een jaloerse God. God, zoals Hij zich geopenbaard heeft aan Israël, mag een onbegrijpelijk en ongrijpbare God zijn, maar Israël weet wel degelijk wie Hij is, want Hij gaat met zijn volk door de geschiedenis en laat het volk telkens weten dat Hij bij hen is. Maar ze kunnen Hem nooit dwingen, zoals duidelijk blijkt uit het dubbelverhaal over de ark (1 Sam. 4-6). Israël kan Gods reddende aanwezigheid niet afdwingen, maar de filistijnen kunnen Hem evenmin aan hun god Dagon onderwerpen.

De latere profeten leggen veel nadruk op het toekomstige heilshandelen van God en bieden zo hoop voor de toekomst. Ook al is Israël zijn politieke zelfstandigheid kwijt, God vergeet hen niet. De in het verborgene werkende God zal in de toekomst zijn heil en zijn heerlijkheid aan zijn volk openbaren.

In het Nieuwe Testament wordt de zelfopenbaring van God vergroot en verrijkt door en in de verschijning van Jezus Christus. Hij verkondigt niet een nieuwe of andere god, maar bevestigt de enigheid van Israëls God, die zich aan de aartsvaders geopenbaard heeft (Markus 12:26) en herhaalt het dubbelgebod der liefde.

In zijn prediking en zijn wonderdaden (zie wonderen) laat hij op een vernieuwende manier zien wie de God van Israël is. Hij noemt Hem zijn Vader, met wie hij een zeer speciale relatie heeft. Maar hij zegt ook dat Hij de hemelse Vader van zijn volgelingen is. In zijn vrijwillig op zich genomen lijden en in zijn sterven en opstanding laat hij zien dat God uit is op de redding van deze wereld en van de mensen die erop wonen.

In het Nieuwe Testament zijn al de eerste sporen te herkennen van een driedelige geloofs- of doopbelijdenis, waarin de nieuwtestamentische kerk uitsprak dat er in de ene God een volheid van gemeenschap is: Vader, zoon en Heilige Geest (Drie-eenheid). De vroege kerk heeft dit later verder uitgewerkt in de geloofsbelijdenis van Nicea, de apostolische geloofsbelijdenis en de geloofsbelijdenis van Athanasius.

De theologie van de vroege kerk kwam al gauw sterk onder de invloed van het Griekse filosofische denken van Plato en zijn leerlingen te staan. Dat had met name ook zijn invloed op de godsleer. Dit werd in de hand gewerkt doordat in de Griekse vertaling van het Oude Testament, de Septuagint, de naam Jahweh niet uitgelegd werd als ‘Ik ben die ik ben’, maar onder invloed van het Griekse denken als ‘Ik ben de zijnde’. God werd zo gemakkelijk tot een boven de aardse werkelijkheid zwevend begrip.

We zien daar al duidelijke sporen van bij de kerkvaders, maar het ontwikkelde zich in de Middeleeuwse scholastiek tot een ingewikkeld systeem, waarbij God gezien wordt als het hoogste wezen dat deel heeft aan het ene ‘zijn’ waar wij mensen ook deel aan hebben.

De Reformatie heeft met dit scholastieke systeem gebroken, al is er later ook een lutherse en gereformeerde scholastiek ontstaan. In de reformatie is teruggegaan naar het taalveld van de bijbel, als het over God gaat. De reformatoren erkenden weer de verborgenheid van God. We kunnen Hem alleen kennen in zijn openbaring in de geschiedenis van Israël en in Jezus Christus, die zijn vlees geworden zoon is.

Luther legde er de nadruk op dat God ook in zijn openbaring de Verborgene blijft. Calvijn begint zijn beroemde Institutie met de woorden: ‘Nagenoeg de hele hoofdinhoud van onze wijsheid, die verdient voor de ware en hechte wijsheid gehouden te worden, bestaat uit twee delen, de kennis van God en de kennis van onszelf.’ Die twee soorten kennis hebben veel met elkaar te maken, want de kennis van God is van nature in de geest van de mensen ‘ingeplant’.

Deze gedachten hebben in het gereformeerd protestantisme een grote rol gespeeld (zie artikel 2 van de Nederlandse geloofsbelijdenis over de middelen waardoor God gekend wordt). In artikel 1 van die belijdenis wordt gezegd dat God ‘een enig en eenvoudig geestelijk wezen’ is. Met die eenvoudigheid werd bedoeld dat we geen scheiding kunnen maken tussen  Gods ‘wezen’ en zijn ‘eigenschappen’. God bezit niet maar de eigenschap van eeuwigheid, maar Hij ís de Eeuwige.

Er is ook geen enkele tegenstelling tussen de verschillende eigenschappen van God, zoals tussen zijn gerechtigheid en zijn barmhartigheid, maar Hij is de Gerechtige in zijn barmhartigheid en Hij is de Barmhartige in zijn gerechtigheid. Er wordt ook gezegd dat God ‘goed en een zeer overvloedige bron van al het goede’ is.

Auteur: K. Runia uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)

Verder lezen: C.A. van Peursen, Hij is het weer (Kampen 1967)Heinz Zahrnt, Het wordt tijd om weer aan God te denken (Baarn 1974)J. van den Brom, God alomtegenwoordig (Kampen 1982)W. Kasper e a., De vraag naar God in deze tijd (Kampen 1982)H.M. Vroom (red.), De god van de filosofen en de god van de bijbel (Zoetermeer 1991)G. van den Brink en M. Sarot (red.), Hoe is uw naam? Opstellen over de eigenschappen van God (Kampen 1995)

Thank you for evaluating SQLViewPro. If after your evaluation you wish to support great DotNetNuke software, please visit the store to purchase a membership. Use discount code 'TRIAL' at checkout for 10% off!