A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

RSS

Humanisme

Gewijzigd op 05-12-2012 15:43 by host Gecategoriseerd als Filosofie, Uitgelicht
Afbeelding
Wereldbeschouwing die de menselijke waardigheid centraal stelt en de wereld uitsluitend met menselijke vermogens probeert te begrijpen. Het woord ‘humanisme’ is afgeleid van het Latijnse humanus (menselijk), dat weer teruggaat op homo (mens). Reflectie op het typisch menselijke is dan ook een voortdurend terugkerend onderwerp in de geschiedenis van het humanisme. Probeerde men in de oudheid humanus te omlijnen in contrast tot het dier, in de Middeleeuwen zocht men met name naar het contrast met God. In de vijftiende eeuw kwam het begrip humanista (humanist) op de voorgrond als aanduiding voor een leraar in de humanae litterae, waarbij dat laatste stond voor de klassieke cultuur. De humanista onderwees slechts incidenteel filosofie en wanneer hij dat deed ging het om Hegel, introduceerde de term Humanismus in zijn boek Der Streit des Humanismus und Philanthropismus in der Theorie des Erziehungsunterrichts unserer Zeit (Jena, 1808), om de gehele klassieke opleiding aan te duiden. Later zou Georg Voigt in deze lijn doorgaan in Die Wiederbelebung des classischen Alterthums, oder das erste Jahrhundert des Humanismus (1859). Gedurende de Weimar Republiek viel een derde periode van klassicistisch humanisme te onderscheiden, waaraan de naam van W. Jaeger (Antike und Humanismus, 1925) verbonden is. Deze beweging werd echter in haar ontwikkeling gefrustreerd door het opkomend Tweede Wereldoorlog.

Van het klassicistisch humanisme dienen we een ander humanisme te onderscheiden, hoewel zeker verbindingslijnen te onderkennen zijn, het filosofisch humanisme. Dit beroept zich niet noodzakelijkerwijs op de klassieke erfenis. Hierbij gaat het om een stroming die de nadruk legt op de specifieke rol die aan de mens zou toekomen ten aanzien van het kennen, waarderen, bewerken en onderzoeken van de werkelijkheid. Het woord ‘humanisme’ is in de loop van de negentiende eeuw en verder in de twintigste eeuw in zowel Duitsland, de Verenigde Staten, Engeland als Frankrijk courant geworden, zij het in verschillende contexten.

Als filosofische term trad het humanisme voor het eerst naar voren in Duitsland, in de geschriften van Arnold Ruge (1802-1880) en in de vroege geschriften van Karl Marx. Die laatste werden echter pas in 1932 ontdekt en kunnen dus niet van invloed zijn geweest op de verbreiding van de term humanisme. Bij Marx stond humanisme voor de vervulling en perfectionering van de mens, waarin hij gefrustreerd zou worden door de uitbuiting die inherent verbonden is met het kapitalisme. Humanisme zou dus de laatste fase zijn in het historisch ontwikkelingsproces, het uiteindelijke doel van de menselijke geschiedenis.

Ook in de Verenigde Staten heeft men het woord ‘humanisme’ gehanteerd als een aanduiding voor een bepaalde benadering in de wijsbegeerte. Een Amerikaans denker die met humanisme wordt geassocieerd is de filosoof John Dewey (1859-1952). Hij was een van de ondertekenaars van een Humanist Manifesto (1933), dat tevens door 33 andere leidende figuren uit het Amerikaanse en intellectuele leven van rond 1930 werd onderschreven. Het humanisme dat door het Amerikaanse manifest wordt uitgedragen, is dat van een radicaal naturalisme: de mens kan het beste tot vervulling komen door zijn aardse natuur te cultiveren. Het manifest is een typisch verlichtingsgeschrift, een synthese van de ideeën van Bentham, Paine, het darwinisme, pragmatisme en positivisme. Geïnstitutionaliseerd is de beweging in de American Humanist Association en zijn Britse pendant, de British Humanist Association. Diametraal tegenover de idealen van de naturalistische humanisten staat een beweging die in de jaren twintig en dertig in de Verenigde Staten op de voorgrond trad en die bekend staat onder de naam new humanism. Hieraan zijn de namen verbonden van Paul Elmer More (1864-1934) en Irving Babbitt (1865-1933). Babbitt spreekt van humanisme als ‘the virtue that results from the right cultivation of one’s humanity’. Daarbij legt hij sterk de nadruk op zelfbeheersing, een gevoel voor proportionaliteit en het cultiveren van de weg van het gulden midden. De humanist zou in het bijzonder zijn instincten, die een innerlijke disharmonie verstoren, onder controle moeten houden. Het zal, gezien deze omschrijving van humanisme, niet verrassen dat Babbitt het naturalistisch humanisme scherp afwijst; omgekeerd geldt overigens ook dat Lamont van mening is dat Babbitt ten onrechte de naam ‘humanisme’ opeist. In Groot-Britannië is het begrip humanisme gehanteerd door een vertegenwoordiger van het pragmatisme, de filosoof F.C.S. Schiller (1864-1937), de eerste die in Engeland het woord humanisme in filosofische zin hanteerde. Schillers humanisme zoekt aansluiting bij de Griekse sofist Protagoras, die stelde dat de mens de maat van alle dingen is. In tegenstelling tot Babbitt handelt zijn werk voornamelijk over kentheorie, logica en metafysica, en zijn uitwerkingen voor de ethiek achterwege gebleven. In Frankrijk zien we een wat verbrokkelder beeld. Hier gaat het niet zozeer om bewegingen alswel om individuele denkers die de term ‘humanisme’ voor hun eigen filosofie hebben opgeëist. Men kan denken aan het christelijk humanisme van Jacques Maritain (Humanisme intégral, 1936) en het existentialistisch humanisme van Jean Paul Sartre (L’existentialisme est un humanisme, 1946).

Op het eerste gezicht lijken de sociologische en intellectuele voorwaarden voor een humanistische cultuur in Nederland voor de hand liggen. Allereerst moet dan gezegd worden dat twee van de bekendste erflaters van de Nederlandse beschaving tot de humanistische traditie behoren: Erasmus en Spinoza. Erasmus was in ieder geval een humanist in de zin dat hij Griekse en Romeinse auteurs aanhaalt, maar hij heeft tevens kenmerken van het filosofisch humanisme. Onder meer gelooft hij in een autonoom besef van goed en kwaad, dat aan de menselijke natuur gerelateerd is en niet afhankelijk kan worden gesteld van een geloof in God.

Spinoza had zich van het jodendom afgekeerd, zonder zich tot het christendom te bekeren. Hij is in het bijzonder van belang omdat hij het godsbeeld in die zin zou veranderen, dat hij afstand nam van een persoonlijke God en expliciet koos voor de autonomie van de moraal. Ten aanzien van dat laatste is de autonome ethiek van Spinoza verder ontwikkeld door een tweetal Nederlandse filosofen, beiden verbonden aan de universiteit van Groningen: G. Heymans (1857-1930) en Leo Polak (1880-1941).

De belangrijkste theoreticus van het georganiseerd humanisme (Humanistisch Verbond) is Jaap van Praag (1911-1981). Van Praag heeft niet alleen verschillende boeken over het humanisme schreven, zoals Modern humanisme (1947) en Grondslagen van humanisme (1978), maar zich tevens geprofileerd als organisator. Zo heeft hij het initiatief genomen tot oprichting van de International Humanist and Ethical Union (IHEU), waarvan hij zowel landelijk als internationaal voorzitter is geweest. Tevens was Van Praag de eerste hoogleraar in de humanistiek, een door hem geijkt begrip ter aanduiding van de wetenschappelijke bezinning op het humanistisch denken en handelen. Andere belangrijke humanistische voormannen zijn de hispanist, journalist en historicus Anton Constandse, de essayist Piet Spigt en de historicus Henk Bonger.

Auteur: Paul Cliteur uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)

Verder lezen: Paul Cliteur, Humanistische filosofie (Kampen 1990) ; Paul Cliteur en Wim van Dooren (red.), Geschiedenis van het humanisme (Meppel/Amsterdam 1991)

Thank you for evaluating SQLViewPro. If after your evaluation you wish to support great DotNetNuke software, please visit the store to purchase a membership. Use discount code 'TRIAL' at checkout for 10% off!