A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

RSS

Jeugdzorg

Gewijzigd op 01-02-2013 14:05 by host Gecategoriseerd als Gezondheid en gezin, Uitgelicht
Afbeelding
Weeshuizen vormen de oudste instanties van jeugdzorg; zij waren hard nodig in een tijd dat vele kinderen een of beide ouders verloren door sterfte.

Zij boden echter nauwelijks opvang aan verwaarloosde, verstoten en misdadige kinderen; de ernstige gevallen belandden in gewone gevangenissen. Voor hen kwam na 1820 een oplossing in de vorm van Koloniën van Weldadigheid (bijvoorbeeld in Ommerschans en Veenhuizen), rijksinstellingen als Nederlands Mettray en jeugdgevangenissen. De christelijke filantropie, zoals die van het Réveil, trok zich het lot aan van deze kinderen; voor het eerst legden zij niet de nadruk op bescherming van de maatschappij tegen uitwassen, maar op het welzijn van het kind. Zo stichtte O.G. Heldring verschillende opvanghuizen in Zetten omstreeks 1860. Ook de in 1896 gestichte en nog steeds bestaande vereniging Pro Juventute kwam op voor het welzijn van het ontspoorde of in de knel gekomen kind. Deze stelde ‘patroons’ aan voor de begeleiding van probleemgezinnen. 

Spoedig volgde wetgeving in de vorm van kinderbeschermingswetten (1901), die in 1905 zijn ingevoerd. Vanaf die tijd is er sprake van kinderbescherming: bescherming van kinderen tegen ouders die uit onmacht of onwil het kind schade berokkenen en tegen een rechtspraak en strafmaat die niet met de belangen en het welzijn van het kind rekening houden. De overheid maakte daarbij gebruik van aan arrondissementen gekoppelde voogdijraden, die in 1956 zijn omgezet in Raden van Kinderbescherming. Zij waren belast met de uitvoering van de rechterlijke beschikking en hadden een adviserende rol naar de rechter toe. Die eerste kinderbeschermingswetten waren vooral juridische wetten: zij konden ouders uit de ouderlijke macht ontzetten of ontheffen. Zo’n regeringspupil werd dan geplaatst in een rijksjeugdinstelling of een ander opvoedingsgesticht of tuchthuis. In 1922 deed de kinderrechter intrede en schiep de wet de mogelijkheid van de ondertoezichtstelling. Voor de praktische uitvoering van de ondertoezichtstelling deden rechters en voogdijraden een beroep op particuliere instanties die de voogdij op zich konden nemen. Naast de neutrale voogdijverenigingen als Pro Juventute en Humanitas (1945) waren dat, in de verzuilde samenleving van toen, vooral identiteitsgebonden organisaties; ook kerkelijke diaconieën en armbesturen konden (tot 1952) als zodanig functioneren.

Joden, katholieken, hervormden, gereformeerden en luthersen kregen hun eigen voogdij-instellingen. Zij stelden gezinsvoogden aan, schakelden pleeggezinnen in en plaatsten een kind in een aan hun denominatie gebonden gesticht of inrichting. Zij hadden daarnaast een rol in de hulpverlening, los van de rechtelijke macht. Ontzuiling en professionalisering (opkomst van maatschappelijk werk, orthopedagogiek en kinderpsychiatrie) leidden na 1960 tot een toenemende nadruk op kwaliteit boven identiteit. Dat ging gepaard met schaalvergroting en fusering van instellingen en hun besturen. Bovendien verschoof de aandacht naar pleegzorg en begeleiding van het kind in het eigen gezin. Grote kindertehuizen, die veel kritiek te verduren kregen, gingen tot het verleden behoren en maakten plaats voor kleine woonvormen.

Er kwam een diversiteit aan begeleidingsmogelijkheden van kinderen en ouders. In toenemende mate is jeugdhulpverlening echter een directe zorg van de overheid geworden, mede bevorderd door de volledige subsidiëring van dit werk. Dat heeft na 1999 geresulteerd in de oprichting van regionale bureaus van jeugdzorg onder regie van de provinciale overheden. Zij hebben een doorverwijzende functie naar andere hulpverlenende  instanties. De bedoeling is uiteindelijk ook de kinderbescherming in de bureaus jeugdzorg te integreren.

Auteur: Marjoke Rietveld-van Wingerden uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005) 

Verder lezen: D. Roeland, Kinderbescherming in de maatschappij, 1905-1980 (Baarn 1980) ; C. van Nijnatten, Bij nader toezien. 75 jaar ondertoezichtstelling (Den Haag 1997) ; J. Dane (eindredactie), J.J.H. Dekker, S. Groenveld, Th.R.M. Willemse, Wezen en boefjes. Zes eeuwen zorg in wees- en kindertehuizen (Hilversum 1997) ; A. van der Linden, ‘Over de civielrechtelijke kinderwet: met récht voor galg en rad’, in: Tijdschrift'voor familie- en jeugdrecht'', XXIII, 2001, 12, 313-343.

Thank you for evaluating SQLViewPro. If after your evaluation you wish to support great DotNetNuke software, please visit the store to purchase a membership. Use discount code 'TRIAL' at checkout for 10% off!