A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

RSS

Koning, Jan de

Gewijzigd op 06-10-2012 12:48 by host Gecategoriseerd als Markante protestanten, Uitgelicht
Afbeelding
Politicus (Zwartsluis {Ov.} 31 augustus 1926 - Leiden 8 oktober 1994)

Gezag kon je niet met regels en formaliteiten afdwingen, evenmin door een grote mond op te zetten of op je ponteneur te gaan staan. Gezag stoelde volgens De Koning op vertrouwen. Daar was hij achter gekomen als jeugdig pelotonscommandant in Nederlands-Indië waar hij van 1946 tot 1948 als oorlogsvrijwilliger diende. ‘Ik was fanatiek,’ zei De Koning later, ‘ik was een modelsoldaat.’ Dus drilde hij zijn manschappen totdat ze er bijna bij neervielen, foeterde hij ze uit als er ook maar iets aan schortte. Eenmaal in de frontlinie bleek het niets waard. ‘Dan kun je voorwaarts schreeuwen, maar ze blijven rustig liggen met hun kop in de modder.’ Zelf opstaan en als eerste ten aanval trekken bleek veel meer waard dan al dat drillen. ‘Dat ze zeggen: we kunnen die vent toch niet alleen laten lopen. De mensen moeten zoveel vertrouwen in je stellen dat ze risico’s willen lopen die ze uit zichzelf liever niet nemen.’

Jan de Koning kwam op Koninginnedag ter wereld, 31 augustus 1926. In zijn geboorteplaats Zwartsluis, in de kop van de Overijssel, was zijn vader gemeentesecretaris, later burgemeester. De geestelijke setting van het gezin, dat vier kinderen telde (twee zoons, twee dochters), was mild-gereformeerd. Vader Dirk de Koning was bepaald geen scherpslijper en stond tolerant ten opzichte van andersdenkenden, maar was geen meeloper. Tijdens de Duitse bezetting zette hij de hakken stevig in het zand wat tot zijn ontslag als burgemeester leidde. Ook zoon Jan, de een na oudste, stelde zich teweer; hij was betrokken bij wapendroppings en verspreidde ondergrondse kranten.

Zoals veel verzetsmensen meldde De Koning zich na de bevrijding vrijwillig voor de strijd in Indië. In 1948 keerde hij naar Nederland terug en ging sociale geografie aan de Utrechtse rijksuniversiteit studeren. In de collegebanken kreeg De Koning kennis aan studiegenote Molly Rellum, een Surinaamse, met hij in 1956 trouwde. Een jaar eerder was De Koning, nog niet afgestudeerd, in dienst getreden van het Sociologisch Instituut van het Convent van Christelijk-Sociale Organisaties. Hij hield er zich voornamelijk bezig met agrarisch-sociale voorlichting wat hem tot een gepokte en gemazelde figuur binnen de Christelijke Boeren- en Tuindersbond (CBTB) maakte.

In 1961 besloot De Koning zich op de wetenschap toe te leggen. De directeur van het Sociologisch Instituut, Gerrit Kuiper, bezorgde hem een positie aan de Vrije Universiteit, op de interfaculteit sociale wetenschappen waar Kuiper hoogleraar sociografie was. Maar het wetenschappelijk metier bleek De Koning niet als gegoten te zitten; hij wilde terug naar het arbeidsveld van de christelijk-sociale beweging. In 1964 werd hij algemeen secretaris van de CBTB, een functie die hij in 1969 ging combineren met het Eerste-Kamerlidmaatschap voor de ARP. De gereformeerde kerken had De Koning inmiddels de rug toegekeerd; hij was hervormd geworden.

In mei 1971, na verkiezingen, werd De Koning fulltimepoliticus. Hij werd lid van de Tweede Kamer waarin hij als woordvoerder voor landbouw, ontwikkelingssamenwerking en economische zaken optrad. Deze portefeuilles beheerde hij ook als lid van de christen-democratische fractie in het Europees parlement waartoe hij in hetzelfde jaar – 1971 – toetrad. Drie jaar later nam De Koning ook het voorzitterschap van de ARP op zich en raakte hij nauw betrokken bij het fusieproces van de drie grote confessionele partijen, KVP, ARP en CHU. De Koning was groot voorstander van de eenwording, die echter in eigen antirevolutionaire gelederen op verzet stuitte, vooral van progressieven die vreesden dat het Christen-Democratisch Appèl (CDA), de beoogde fusiepartij, een behoudend profiel zou krijgen. Dat het kabinet-Den Uyl de christen-democratische partners had gescheiden (ARP en KVP waren regeringspartij, CHU niet) maakte het er allemaal niet eenvoudiger op.

In deze slangenkuil was De Koning, als samenbindende figuur die spanningen de baas werd met een ontspannen openheid en heilzame relativeringszin, de juiste man op de juiste plaats. Maar ondertussen ondermijnde de werklast zijn gezondheid; begin 1975 kreeg De Koning een zwaar hartinfarct en legde zijn partijvoorzitterschap neer. Eind 1977 keerde hij aan het politieke front terug, als minister voor ontwikkelingssamenwerking in het kabinet-Van Agt/Wiegel. Geen portefeuille met groot politiek gewicht, maar toch lag De Koning er soms wakker van, voortdurend beseffend dat zijn beslissingen voor mensen in de Derde Wereld het verschil tussen leven en dood kon betekenen. In 1981 werd De Koning, tot ieders verrassing, minister van landbouw en visserij in het vechtkabinet-Van Agt/Den Uyl waarvoor De Koning als een van de informateurs de kiel had gelegd. Ruim een jaar later, na vervroegde verkiezingen en een informatie waarbij hij opnieuw betrokken was, stond De Koning voor de derde keer op het koninklijk bordes, nu als minister van sociale zaken en werkgelegenheid. Van Agt had hem als premier naar voren geschoven, maar De Koning vond de vindingrijke en spitsvondige Lubbers de aangewezen man. ‘Problemen zijn op een aantal manieren op te lossen; ik ben al lang blij als ik er twee heb gevonden.’ Ook echtgenoot Molly, angstvallig wakend over haar mans gezondheid, was tegen het premierschap.

Als minister van sociale zaken en werkgelegenheid werd De Koning de eerste jaren met grote werkloosheid geconfronteerd. Forse bezuinigingen lokten dito kritiek uit, die hem echter geen nachtrust kostte. De vakbeweging schreeuwde moord en brand, maar de minister hield zich voor dat ’s lands sociaal bestel een vangnet garandeerde dat een paradijs was vergeleken bij het bestaan op leven en dood in Afrika. Toen werkloze jongeren te hoop liepen tegen een korting op hun uitkering raadde hij ze aan ‘goeie vrienden’ met hun moeder te blijven. Ook in de ministerraad was De Koning doorgaans de kalmte en nuchterheid zelve. ‘Als het niet gaat zoals het moet, dan moet het maar zoals het gaat.’

Na de kamerverkiezingen van 1986 vond De Koning het eigenlijk welletjes, maar Lubbers, wiens steun en toeverlaat hij was, haalde hem ‘binnen drie minuten’ over op zijn post te blijven. De Koning verliet de landspolitiek drie jaar later toen Lubbers met Wim Koks PvdA ging regeren, maar op zijn lauweren rustten deed hij niet. ‘Nee zeggen’ viel hem moeilijk, wat resulteerde in een baaierd van bestuursfuncties, waar onder het staatsraadschap in buitengewone dienst bij de Raad van State en het buitengewoon hoogleraarschap sociologie aan de Groningse rijksuniversiteit. In de zomer van 1994, toen het CDA na een verpletterende verkiezingsnederlaag radeloos en redeloos was en De Konings samenbindende capaciteiten meer dan ooit nodig waren, werd kanker vastgesteld. Een paar maanden later overleed hij. ‘Om ruzie te maken zijn er twee nodig, en daar hoor ik niet bij,’ citeerde Lubbers hem tijdens de uitvaartdienst.

Auteur: Peter Bak, voor Protestant.nl, 10 januari 2011

Verder lezen: Pieter Gerrit Kroeger en Jaap Stam, De rogge staat er dun bij. Macht en verval van het CDA 1974-1998 (Amsterdam 1998)

Informatie op internet: Parlement & politiek ; Biografisch woordenboek van Nederland

Thank you for evaluating SQLViewPro. If after your evaluation you wish to support great DotNetNuke software, please visit the store to purchase a membership. Use discount code 'TRIAL' at checkout for 10% off!