A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

RSS

Lou de Palingboer

Gewijzigd op 15-10-2013 10:04 by host Gecategoriseerd als Markante protestanten, MP uitgelicht
Afbeelding
Sekteleider (Breezand 19 februari 1898 - Agimont 24 maart 1968)

Zijn charisma moet onweerstaanbaar zijn geweest. Want van zijn fysieke aantrekkingskracht moest Lou de Palingboer het niet hebben: klein en kalend, lijzige stem uit een vrijwel tandeloze mond. Toch raakten duizenden ‘in Lou’, vooral vrouwen. Om bij hem te mogen ‘aanliggen’ vochten ze elkaar bijkans het ‘Witte Huis’ uit, het Muiderbergse bedevaartsoord waar Lou troonde. ‘Lou noemt zich geen God, God noemt zich Lou,’ zo werd er van de sekteleider gezegd. Praten kon hij als weinig anderen – urenlang, even oeverloos als richtingloos. Geen touw aan vast te knopen. Maar het ging zijn volgelingen dan ook niet om de inhoud maar om de aandacht. Eenvoudige mensen, die in de modern-industriële maatschappij tussen wal en schip waren beland, zochten vertwijfeld naar een toevluchtsoord. En vonden die ‘in Lou’.

Lou de Palingboer werd in 1898 geboren als Louwrens Voorthuijzen. Zijn wieg stond in de Anna-Paulownapolder, in Breezand, waar Jan Voorthuijzen, zijn vader, een boerenbedrijf en dertien kinderen had. Vader Jan was diepgelovig, het gezin op en top christelijk-gereformeerd. ’s Zondags ging het tweemaal ter kerke en daarnaast verkondigde vader Jan het Woord Gods ook zelf, langdurig en met schelle stem, wat hem in Breezand de bijnaam ‘het roepertje’ opleverde.

Louwrens, zevende in de kinderrij van dertien, slikte al het verkondigde niet voor zoete koek. Zowel zijn vader als de predikant bestookte hij met lastige geloofsvragen. Ook ging hij preken schrijven. Voor het boerenbedrijf had Louwrens weinig passie; hij fladderde wat in de polder rond, jagend en vooral vissend. Met zijn bottertje dobberde Loutje soms dagenlang op de Waddenzee. De militaire dienstplicht was niet aan de vrijbuiter besteed; de bevelhebbers wisten zich met de Noord-Hollander geen raad en stuurden hem naar huis, waar hij de draad van het zoeken en dralen weer opnam.

Het onbestemde leven, van twaalf ambachten (boer, tuinder, timmerman, loodgieter, monteur) en dertien ongelukken, nam in 1924, op 26-jarige leeftijd, een wending. Lou (uitgesproken als ‘Lauw’) trouwde met Treintje Tiel, dochter van een welgestelde boer die hem definitief uit het christelijk-gereformeerde milieu trok. Het echtpaar vestigde zich in Den Oever en sloot zich aan bij een opwekkingsgemeente waarin Lou al gauw als voorganger op de voorgrond trad. ‘Hij had slag van praten,’ vertelde Trijntje Tiel later, ‘vooral tegen wereldse mensen.’ Volgens Lou was er echter meer in het geding dan verbale vaardigheid. ‘Ik kreeg gaven, kreeg profetieën, kreeg talen. Ik ging door de materie heenkijken. Ik ging verborgenheden ruiken en als ik ze geroken had, dan kon ik ze aan hen vertellen. Ze noemden mij de profeet, anderen de Man Gods.’

Maar het Ware inzicht moest nog komen. Op een nacht, die Lou later uiteenlopend dateerde (1927, 1928, ’30 of ’31? ), bewandelde hij op het strand van Van Ewijksluis in geestvervoering het drooggevallen drijfzand, zonder er in weg te zakken. Aan de hemel schitterde een heldere ster, een machtige stem sprak de woorden: ‘Zie het teken van de Zoon des Mensen’. Vervolgens worstelde Lou veertig dagen met de satan, om als winnaar op te staan. Herboren betrad hij Den Oevers straten waar menigeen hem voor een godsdienstwaanzinnige hield. Zijn geboorte als sekteleider zou echter nog twee decennia op zich laten wachten. Beslissend daartoe was de ontmoeting met de Almelose naaister Mien Wiertz die in Muiden, waarnaar het echtpaar Voorthuijzen in 1938 was verhuisd, een huisvriendin werd. Ze raakte onder de bekoring van Lou’s uitstraling, zonder dat de emotie haar volledig op sleeptouw nam. Daarvoor was ‘Mientje’, vrouw van bescheiden komaf en scholing, te gehaaid. In Lou’s verbale en bovennatuurlijke gaven zag zij een breekijzer naar een beter leven, met aanzien en status.

Daar moest wel geduld bij. Lou verdiende de – schrale – kost als palingvisser en droomde liever van een carrière als uitvinder. Maar Mien, zeventien jaar jonger, liet hem niet los. Ze kreeg Lou zo ver dat hij zijn vrouw naar Breezand liet teruggaan, gevolgd door een echtscheiding, twee jaar later, in 1942. Mien werd zijn tweede vrouw, al kwam het nooit tot een huwelijk. Jaren verstreken waarin armoede troef was en Lou bleef weigeren uit preken te gaan. De ommekeer kwam tenslotte in 1950 toen Mien met roodvonk in het ziekenhuis lag, in verwachting van hun tweede zoon. Ze bezwoer hem zich te openbaren. ‘Ik wéét immers dat jij de Verlosser bent!’

Een tweede bekering volgde. Lou deed zijn vissersboten van de hand en ging als palingverkoper op de Amsterdamse Dappermarkt staan waar nering en verkondiging samen opgingen. Het orakel ‘Lou de Palingboer’ was opgestaan, al gauw een schare van honderden volgelingen om zich heen verzamelend. Dat hij wartaal uitsloeg en zichzelf in drie zinnen vier keer tegensprak, deerde hen allerminst. Lou had de gave ze doen te geloven dat alleen hij ze kon redden uit de klauwen van alles wat bedreigend en onbegrijpelijk was. Een flinke dosis volkse humor deed de rest. ‘Zegt de vrouw van Lot: “Verdorie, ben ik het zout vergeten mee te nemen”.’

Mien Wiertz bekeek Lou’s opgang met genoegen. In het Witte Huis, de Muiderbergse villa die in 1956 met geld van een discipel werd gekocht, zwaaide zij de scepter. Lou had het er minder naar zijn zin. Meer en meer voelde hij zich de gevangene van zijn eigen sekte. In 1957 stopte hij met zijn wekelijkse prediking in het Amsterdamse Frascati. Zijn volgelingen moesten het voortaan maar met bandopnames doen. Ondertussen werd het Witte Huis toneel van alcoholische en seksuele uitspattingen waaraan de profeet geen weerstand kon bieden. Ook huwelijken gingen kapot, omdat de vrouw meer ‘in Lou’ was dan de man. Een echtpaar dat wel eensgezind was weigerde met hun zieke kind naar de dokter te gaan. Het kind overleed waarna de ouders zich voor de rechter moesten verantwoorden. Lou werd als getuige gedagvaard.

Na een allerlaatste, ontluisterend optreden in Frascati, in 1967, namen Lou, Mien en een groep getrouwen de wijk naar België. Ze streken uiteindelijk neer in Agimont, vlakbij de Franse grens, waar de ‘Verlosser’ in maart 1968 aan een longontsteking overleed. Het dringende advies van een arts hem naar het ziekenhuis te brengen was in de wind geslagen. Lou was immers ‘God’, die onsterfelijk was. Zijn dood leidde tot uitzinnige taferelen. Vrouwen legden zich op het ontzielde lichaam neer, om het warm te houden, ervan overtuigd dat ook Lou uit de dood zou herrijzen. Vervolgens droegen ze hem, in een kist van zink en polyester, naar een bergruimte op het kerkhof, wachtend op zijn wederkomst: drie dagen, drie weken, drie maanden...

Lou de Palingboer vond zijn laatste rustplaats uiteindelijk in Sclayn, vlakbij Namen, waar Mien Wiertz en een veertigtal volgelingen zich in een bouwvallig buitenhuis hadden gevestigd. De groep verhuisde nóg een paar keer en viel geleidelijk uiteen. Wiertz belandde in Spanje, voor altijd ‘in Lou’.

Auteur: Peter Bak, voor Protestant.nl, 27 december 2010

Verder lezen: Wim Zaal, ‘Lou de Palingboer’, in: Gods onkruid. Nederlandse sekten en messiassen (Soesterberg 2004), 97-144 ; Harry Mulisch, ‘VIIIeVandaag (1958)’, in: Voer voor psychologen. Zelfportret (Amsterdam 1998), 229- 244.

Informatie op internet: Andere tijden

Thank you for evaluating SQLViewPro. If after your evaluation you wish to support great DotNetNuke software, please visit the store to purchase a membership. Use discount code 'TRIAL' at checkout for 10% off!