A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

RSS

Swarth, Stephanie Hélène

Gewijzigd op 18-12-2012 13:01 by host Gecategoriseerd als Markante protestanten, MP uitgelicht
Afbeelding
Dichteres (Amsterdam 25 oktober 1859 - Velp 20 juni 1941)

Het is dat kerkgangers haar naam nog wel eens onder ogen komt, als vertaalster van Lied 444: ‘Grote God, wij loven U’. Anders zou Hélène Swarth volkomen vergeten zijn. Zelfs in 1941, toen ze stierf, dachten velen dat ze al jaren dood was. Een halve eeuw eerder was ze een literaire sensatie geweest. Willem Kloos, het zelfgeproclameerde geweten van de Tachtigers, voorspelde in 1887 ‘dat aan Hélène Swarth de toekomst onzer dichtkunst behoort.’ Kloos bejubelde haar als ‘het zingende hart in onze letterkunde’. Vijftien jaar later hoonde Frederik van Eeden haar weg als het ‘herkauwende hart’ – en weinigen spraken hem tegen. De veelbelovende dichteres was een zoetige damesversjesschrijfster geworden die geen maat wist te houden. Swarth vulde de ene na de andere bundel met haar zielsverdriet, een oeuvre opbouwend dat niemand meer kon overzien, zijzelf waarschijnlijk ook niet.

'Als jongste van negen kinderen werd ik te Amsterdam geboren, in den stormnacht van 25 October 1859,’ luidt de eerste zin van de beknopte autobiografie die Hélène Swarth in 1936 aan haar bundel Wijding toevoegde. Haar vader was koopman Eduard Swarth die, na enige tijd consul van Portugal te zijn geweest, bankier in Brussel werd. Dus vestigde het gezin zich in de Belgische hoofdstad waar Hélène, die op haar achtste haar eerste gedicht schreef, gelukkig was. ‘Ik had mijn eigen lees- en schrijfhoekje in de zonnige kinderkamer,’ blikte ze in 1936 terug, ‘ik liep zingend of “mijzelve verhaaltjes vertellend” door huis en tuin.’

Heimwee van Hélènes moeder deed het gezin in 1869, na vier jaar, naar Amsterdam terugkeren. Hélène kon er niet aarden. Ze haatte de gereformeerde school die ze bezocht, evenals de catechisatie waarnaar ze door haar orthodox-protestantse moeder werd gestuurd. Ze kon haar geluk dan ook niet op toen het gezin in 1871 opnieuw naar Brussel verhuisde. Intussen was ze doorgegaan met dichten. Eén van haar pennenvruchten stuurde ze, op aandringen van haar lievelingsbroer Willem, naar de vermaarde Franse dichter Victor Hugo van wie ze, veertien jaar oud, een persoonlijke bedankbrief ontving. Zes jaar later, in 1879, debuteerde ze met het dichtbundeltje Fleurs du rêve, verschenen in Parijs, waar broer Willem een uitgever had weten te vinden.

Willems dood en de onbeantwoorde liefde voor de Brusselse dichter Max Waller zorgden voor een wending in het leven van de jonge dichteres. Beide voorvallen vormden de kern van het zielsverdriet waaruit ze haar verdere literaire leven zou putten. Ook pijn over de moeizame relatie met haar moeder (‘Haar kille hand lag in mijn warme hand’) kwelde Swarth, die haar tweede bundel, Les printanières, in 1882 publiceerde. In hetzelfde jaar leerde ze de Vlaamse dichter Pol de Mont kennen die haar stimuleerde in het Nederlands te gaan dichten. Diens raadgevingen, kritieken en adviezen, verwoord in een drukke briefwisseling, leidde tot de bundel Eenzame bloemen die in 1884 het licht zag en Swarths naam als dichteres vestigde. Nog hetzelfde jaar verscheen Blauwe bloemen, en niet veel later maakte ze haar opwachting in De Nieuwe Gids, de spreekbuis van de Tachtigers. Voorman Kloos had aanvankelijk moeite met de sentimentele toon van Swarths gedichten, maar ging na de verschijning van Sneeuwvlokken, in 1888, overstag en bejubelde haar als ‘het zingende hart in onze letterkunde’.

Maar roem is vergankelijk. Een jaar later, in 1889, werd Swarths bundel Rouwviolen, opgedragen aan de overleden Waller, al minder enthousiast ontvangen. De zielepijn lag zo dik op de dichtregels dat het onwezenlijk dreigde te worden. Swarth liet zich echter niet uit het literaire veld slaan en werkte onverdroten door. Aan inspirerend ongeluk had ze geen gebrek want op een verbroken verloving volgde een huwelijk met de Nederlandse schrijver en journalist Frits Lapidoth dat ook in kommer en kwel eindigde. Lapidoth, een even curieus als kleurrijk heerschap, bedreef de buitenechtelijke liefde thuis op gehoorafstand van zijn echtgenote, om haar daarna te vertellen hoe het was geweest. Het huwelijk werd in 1910, na veertien jaar ontbonden, maar de dichteres ging haar verdere leven onder de scheiding gebukt.

Swarths hunkering naar liefde ging in haar gedichten regelmatig gepaard met een Godsverlangen van pantheïstische snit. Haar natuurpoëzie, uiting van zoeken naar zuiverheid, had een kosmisch-religieuze ondertoon. Bijna haar leven lang stond Swarth levensbeschouwelijk op een driesprong, weifelend tussen de gereformeerde religie, ingegeven door haar moeder, het rooms-katholicisme, vrucht van haar opvoeding door een katholieke gouvernante, en het humanisme. In haar latere jaren werd de christelijke ondertoon steeds prominenter, vooral in Wijding, haar laatste bundel: ‘Tot Hem geleid langs donkre wegen / Voor ’t eenzaam lied, mijn leed ten troost gegeven / Hef ik de handen om mijn God te loven.’ De verzen werden genegeerd door het literaire circuit, maar vonden hun weg wel naar kerkelijke bladen. Daarin was Hélène Swarth ooit gesmaad als dichteres van de godloochenende Tachtigers.

Auteur: Peter Bak, voor Protestant.nl, 18 april 2011

Verder lezen: Jeroen Brouwers, Hélène Swarth. Haar huwelijk met Frits Lapidoth 1894-1910 (Amsterdam 1985)

Informatie op internet: Digitale bibliotheek Nederlandse letteren ; Biografisch woordenboek van Nederland  

Thank you for evaluating SQLViewPro. If after your evaluation you wish to support great DotNetNuke software, please visit the store to purchase a membership. Use discount code 'TRIAL' at checkout for 10% off!