A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

RSS

Doopsgezinden

Gewijzigd op 30-08-2012 15:43 by host Gecategoriseerd als Geschiedenis
Afbeelding
Leden van het oudste protestantse kerkgenootschap van Nederland, ze vormen een eigen variant van het anabaptisme (zie ook: radicale reformatie) Na de introductie van het doperdom door Melchior Hoffman (1530) lukte het Menno Simons om het profetische, eschatologische en revolutionaire doperdom om te buigen in een pacifistische en wereldmijdende richting. Naar hem noemden zijn aanhangers zich mennonisten, menisten en mennonieten; vanaf ca. 1560 kwam de aanduiding ‘doopsgezinden’ in zwang, verwijzend naar de volwassendoop die pas wordt toegediend na het afleggen van een belijdenis. Hun leer is gestoeld op het evangelie, waarbij dogmatiek wordt afgewezen. Als rechtstreekse voortzetting van de eerste apostolische gemeenten, waarin de navolging van Christus in leer, leven en lijden centraal staat, wezen zij aanvankelijk elke bemoeienis met het wereldlijke gezag af.

Kern van hun opvattingen was de boetetheologie: door innerlijk boete te doen, geraakt de zich van zonden bewuste mens door de vrije wil tot terugkeer (restitutio) naar de oorspronkelijk in de schepping gelegde zuiverheid, de geestelijke wedergeboorte, die bezegeld wordt met de doop als teken van verbond met Christus.

Samen vormden zij de ‘gemeente van heiligen’, de bruid van Christus, waarin levensheiliging, het doen van goede werken en ethisch zuiver handelen, centraal staat. Kenmerken daarvan zijn het verbod om geweld uit te oefenen (pacifisme), eden te zweren en overheidsambten te aanvaarden. Als teken van eenheid met Christus, ook in het lijden door vervolging (martelaren), viert de zuivere gemeente het avondmaal. Lidmaten die wegens zonden de gemeentelijke reinheid (‘sonder vlecke ofte rimpel’) in gevaar brachten, werden daarvan (tijdelijk) uitgesloten. Toepassing van tuchtregels om dat gemeente-ideaal te handhaven, zoals ban (tijdelijke uitsluiting), mijding (verbod op omgang met een gebannen lid) en echtmijding (verbod op omgang met een zondige echtgenoot), zou vanaf 1557 tot grote verdeeldheid leiden. Ook handhaving van binnentrouw (huwelijk tussen lidmaten) behoorde tot de kerkdiscipline.

Ondertussen hadden de doopsgezinden zwaar te lijden van de geloofsvervolging (in de Noordelijke Nederlanden tot 1576; in de Zuidelijke tot 1597), die meer dan 2.000 slachtoffers zou vergen. Hun geschiedenissen werden verzameld in clandestien gedrukte martelaarsboeken die naast de eigen bijbelvertaling (Biestkensbijbel en Biestkenstestament), hoog in aanzien stonden. Daarnaast kenden de doopsgezinden, ook door de vele splitsingen, een rijke zangcultuur: tot 1800 telde het doperse liedcorpus meer dan 15.000 ‘gheestelijcke liedekens’.

Aan het begin van de zeventiende eeuw waren er meer dan tien verschillende richtingen in Nederland, zoals waterlanders, hoogduitsers, jonge en (Groninger, resp. Dantziger) oude Vlamingen, zachte en harde Friezen. Op basis van belijdenisgeschriften verenigden zich tal van denominaties, maar in 1664 zou zich onder invloed van de collegianten alsnog een splitsing voordoen tussen de confessionele zonnisten en de lammisten, die onbeperkte verdraagzaamheid voorstonden. Tot het einde van de achttiende eeuw handhaafden zich daarnaast nog conservatieve splintergroeperingen.

In 1811 werd de Algemene Doopsgezinde Sociëteit opgericht, waar de meeste gemeenten zich bij aansloten. Toen was het aantal van zo’n 65.000 menisten halverwege de zeventiende eeuw teruggelopen tot ruim 30.000 in 1809. Na de scheiding tussen kerk en staat in 1796 (zie: godsdienstvrijheid), zette in de negentiende eeuw een periode van bloei in. Het verlichte menisme kwam toen in liberaal vaarwater terecht, waarin modernisme (zie: moderne theologie) en vrijzinnigheidomarmd werden.

Tussen de twee wereldoorlogen is de Gemeentedagbeweging, geïnspireerd op de Barchembeweging, van groot belang geweest. Dat leidde onder andere tot de stichting van broederschapshuizen, de oprichting van een jongerenbond en de hernieuwing van het vredesbeginsel (zie ook: dienstweigering). Na de Tweede Wereldoorlog, toen er 44.000 leden waren, zou door de secularisatie daarvan nog geen kwart overblijven.

Deze neergaande tendens lijkt een halt toegeroepen te worden door een kritische, bijbelse reflectie op de vrijzinnigheid, alsmede door nieuwe aanwas uit voornamelijk gereformeerde kringen die zich niet thuis voelen in de Protestantse Kerk in Nederland. Doopsgezinden kennen van oudsher een congregationalistisch kerkmodel: autonome gemeenten die zelfstandig de leer bepalen, terwijl de dienaarschap (kerkenraad, diaconie en leraar{s}) onderworpen is aan de democratische besluitvorming door de gemeenteleden (eertijds ‘broederschap’ genoemd).

Eerst kende men uitsluitend (niet betaalde) lekenpredikers met verschillende bevoegdheden, zoals rondreizende oudsten of bisschoppen, lokale leraren (die doop en avondmaal bedienden) en vermaners (die enkel preekten). Met de stichting van het Seminarium in 1735 deed de academisch geschoolde predikant zijn intrede. Van meet af aan was het Seminarium met het Athenaeum, respectievelijk de Universiteit van Amsterdam verbonden; sedert 2003 met de Vrije Universiteit. Vrouwen werden vanaf 1905 tot het Seminarium toegelaten; Annie Zernike was in 1911 de eerste vrouwelijke predikant van Nederland.

Maatschappelijk geeft de doopsgezinde gemeenschap als minderheid ook een opmerkelijke emancipatieontwikkeling te zien. Na de eerste fase van vervolging (tot 1579), trad de volgende fase in, gekenmerkt door een zekere tolerantie door de overheid, maar bestrijding (door middel van disputen en polemische geschriften) door de Gereformeerde Kerk. Economisch ontplooiden de doopsgezinden grote activiteit in zeevaart, handel en industrie (Haarlem, Amsterdam, Zaanstreek, Twente), wat tot welvaart en elitevorming leidde. Toen in 1672 grote bedragen betaald werden aan de noodlijdende staat, trad een derde fase in, waarin dankzij de Verlichting en deelname aan het patriottisme naar religieuze en politieke vrijheid gestreefd werd. 1796 markeert het begin van de laatste fase, waarin de erkende doopsgezinden ‘in de wereld’ kwamen.

Ook cultureel en politiek had deze ontwikkeling effect. Sedert de Gouden Eeuw kwamen uit doperse kring tal van literatoren voort, zoals Carel van Mander, Joost van den Vondel (die rond 1640 rooms-katholiek werd), Pieter Langendijk, Aagje Deken en Multatuli; kunstenaars als Chrispijn de Passe, Govert Flinck, Salomon en Jacob van Ruysdael, Jan van der Heyden, Jan Luyken en Hendrik Willem Mesdag; politici als R.J. Schimmelpenninck, S. van Houten en C. Lely. Ook Teylers Museum en de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen zijn van doopsgezinde origine, evenals geleerden als Matthias van Geuns, Matthijs Siegenbeek, Johan Huizinga en Jan Romein.

Hoewel Europa de bakermat van het doperdom is, vormen de Nederlandse doopsgezinden (samen met Duitsland, Zwitserland en Frankrijk) slechts een geringe minderheid van de wereldwijde broederschap, die ca. 1,2 miljoen mennonieten telt. Van oudsher zijn er twee ontstaanslijnen als gevolg van een lange vervolgingsgeschiedenis. De ene, Nederlands-Pruisisch-Russische tak wordt gevormd door in de zestiende eeuw naar Pruisen (Polen) gevluchte Nederlandse mennonieten, die sedert het einde van de achttiende eeuw deels in Rusland (Oekraïne) terechtkwamen, maar vandaar later naar Canada en Zuid-Amerika (Brazilië, Paraguay) zijn geëmigreerd.

Na de Tweede Wereldoorlog zijn grote aantallen Russische mennonieten (onder Stalin naar Siberië en de Kaukasus verbannen), naar Duitsland gekomen, waar ze bloeiende Umsiedler gemeenten vormen. Velen van deze tak dragen nog altijd Nederlandse familienamen. De andere, Zwitsers-Duitse tak is in de achttiende eeuw vanuit Zwitserland en Duitsland, met steun van het doopsgezinde ‘Fonds voor Buitenlandsche Nooden’ en de Nederlandse overheid, naar Pennsylvania en elders in Noord-Amerika geemigreerd (Amish).

Door de zending (eerst vanuit Nederland, later vanuit Noord-Amerika) is een nieuwe, derde tak ontstaan in Azië (Indonesië, India) en Afrika (Kongo, Ethiopië, Tanzania). Thans wonen in Afrika, Azië en Latijns Amerika meer doopsgezinden dan in Europa en Noord-Amerika tezamen. Om de vijf jaar wordt mondiaal een meerdaagse Mennonite World Conference georganiseerd, terwijl jaarlijks in elke gemeente op een vaste zondag de World Fellowship Day wordt gevierd.

Auteur: Piet Visser uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)

Verder lezen: H.S. Bender e.a. (red.), The Mennonite Encyclopedia 5 dln (Scottdale 1956-1990) ; P. Visser e.a. (red.), From Martyr to Muppy (Amsterdam 1994) ; S. Groenveld e.a. (red.), Wederdopers, menisten, doopsgezinden (Zutphen 1996) ; S. Zijlstra, Om de ware gemeente en de oude gronden (Leeuwarden/Hilversum 2000) ; A. Verbeek, ‘Menniste Paus’ (Hilversum 2005) Afbeelding: Doopsgezinde kerk Baard-Itens

Thank you for evaluating SQLViewPro. If after your evaluation you wish to support great DotNetNuke software, please visit the store to purchase a membership. Use discount code 'TRIAL' at checkout for 10% off!